Nieuwtestamentische bijbelteksten over de wet
Mattheus 5:17-20
De focus is hier duidelijk de morele standaard bij welke Christus wil dat wij leven; niet zozeer Zijn eigen leven in onderscheiding van Zijn onderwijs of een profetie-typologie
Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.
17 te vervullen: (in het Aramees) to establish of te "bevestigen in volle mate" of te "staven met bewijzen"
19 Zo serieus is de zak van de wet dat Jezus waarschuwt dat als we die wet veronachtzamen (niet Jezus' onderwijs die de wet vervangen) of anderen leren delen van de wet te negeren, behalve die delen die volbracht zijn zoals de ceremoniële aspecten van de wet, zullen we in the koninkrijk van God, met afkeuring getroffen worden. Het is theologisch niet te geloven dat de missie van Christus godslastering, moord, verkrachting, diefstal, roddel en jaloezie moreel acceptabel zou maken voor mensen.
Als sommigen hadden gedacht dat Jezus een lakse houding verdedigde m.b.t. de wet en het Oude Testament ("denk niet dat") dan kunnen ze zich beter voorbereiden op koninkrijk standaards die die van het traditionele Judaïsme te boven gaan, maar in volledige overeenstemming zijn met het vervullen van de wet als om het te bevestigen.
Welzeker, de nadrukkelijke verklaring van Christus moet geplaatst worden en toegepast worden in het licht van de rest van Nieuwtestamentisch onderwijs. Onze kennis dat de ceremoniële voorzieningen opzij zijn gezet rust op andere teksten uit de Schrift.
Fundamenteel hermeneutische verschil
Dit brengt ons bij het fundamentele hermeneutische verschil tussen theonomisten en dispensationalisten.
De rechtvaardigheid waarnaar de "geboden" van "de Wet en de Profeten" ons leiden werd door Jezus geïdentificeerd toen Hij zei "Wees daarom volmaakt, want ik ben volmaakt" (Dt. 32:4; Ps. 18:31) en van Zijn Wet wordt hetzelfde gezegd.
Zowel Mozes als Petrus zijn het eens in hun geïnspireerde onderwijs dat de geboden ons ertoe leiden de heiligheid van God zelf na te volgen: "Weest heilig, want Ik uw God ben heilig" (Lev. 19:2; 1 Peter 1:15-16). De Bijbel leert ons dat God alleen heilig is (Opb. 15:4) en dat God alleen goed is (Mark 10:18).
Maar Paulus had geen aarzeling deze exclusieve goddelijke attributen ook aan de wet toe te schrijven: Zo is de wet "heilig, rechtvaardig en goed" Rom. 7:12. De heiligheid en goedheid van God verwijzen naar Zijn essentiële karakter, welke tot expressie komen in "de wet".
"If God turned back His law, He would deny his own justice and goodness" (Anthony Burgess 1646). "To find fault with the Law, were to find fault with God" (Ralph Venning 1669).
Nu naar welke wet refereerde Paulus? Precies, de wel-bekende wet van Mozes -
de speciale trots en bevoordeling van de Joden (Rom. 2:17-18; 3:1-2), en wiens voorschriften door Paulus geciteerd worden, komen rechtstreeks uit de Mozaïsche openbaring (2:21-22) en "de wet van God" (Rom. 7:22,25; 8:7; 1 Cor 7:19).
Wel hoe zit het dan met de andere opmerkingen die Paulus maakt, welke het tegenovergestelde doen veronderstellen, alsof zij eens en voor altijd zijn afgedaan?
Worden christenen geheiligd door de wet?
Deze vraag moet met een ja en nee beantwoord worden. Nee, christenen worden niet door de wet geheiligd als men bedoelt dat de wet aan het geloof toegevoegd wordt om iemand te redden (dat was de Judaïstische ketterij). "Ik ontneem aan de genade Gods haar kracht niet; want indien er gerechtigheid door de wet is, dan is Christus tevergeefs gestorven". Zolang er ook maar iets is dat de mens kan doen om zijn redding te verdienen of te behouden, is er reden om te roemen. De Bijbel zegt dat rebellerende zondaars zelfs het geloof niet kunnen toevoegen; dat is ook een "gave van God" (Efeze 2:8).
Handelingen 15:5
Een van de centrale teksten gebruikt door antinominanen is Hand. 15:5: "Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op. die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden." Hoe moet dit verstaan worden? Er is geen enkel bewijs dat de Tien Geboden na het Concilie in Jeruzalem ophielden wet te zijn; de brieven formuleren herhaaldelijk opnieuw de wet. Paulus in Efeze 6:2 herformuleert niet alleen het vijfde gebod, maar herinnert ons ook aan zijn belofte. De bedoeling van dit concilie kan niet geweest zijn om precies die wetten en alleen die wetten uit het O.T. vast te leggen, die ook vandaag nog geldig zijn. Anders zouden bv. godslastering en stelen ook verboden zijn! De wetten van God tegen de zonde zijn nooit door het concilie ingetrokken.
De kwestie was rechtvaardiging (justificatie); het Judaïsme had de wet misbruikt. Ten Eerste, had het de wet met de tradities van mensen vervangen, welke tot wet werden, en, ten tweede, werd de wet, dat een weg tot heiligmaking is, gemaakt tot een weg tot rechtvaardiging.
Rom. 3:21-24, 28 "Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel de gerechtigheid Gods door het geloof in Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus... Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet"
De christen voegt niets toe aan Jezus volbrachte werk aan het kruis. Jezus betaalde alles. De schuld is geheel aan de de zondaar. De rechtvaardigheid behoort geheel aan Jezus. Jezus rechtvaardigheid wordt toegeschreven (imputed) of gecrediteerd aan diegenen die "dood zijn in hun overtredingen en zonden," los van elk werk van de wet (Efeze 2:1). Dit wordt rechtvaardigmaking genoemd, een juridische handeling van God, dat maar een keer geschiedt, het rechtvaardig verklaren van zondaren op basis van de verdienste van Christus aan het kruis, Zijn volmaakte gehoorzaamheid en Zijn volmaakte offer.
Met rechtvaardiging komt heiligmaking. Een ondersteunende tekst uit de Schrift voor definitieve heiliging is 1 Cor. 1:2: "aan de gemeente Gods te Corinte, aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen met allen, die allerwegen de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen, hun en onze (Here)."
Doch de Schrift spreekt ook over wat we progressieve heiligmaking noemen - geestelijke groei. "Legt dan af alle kwaadwilligheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij, en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, [van het woord] opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid" (grow in respect to salvation). Heiliging volgt rechtvaardiging als groei volgt op geboorte. Groei hangt echter af van voeding.
De voeding is "de onvervalste melk van het woord". Heiliging is niet simpel "geleid worden door de Geest". De Geest gebruikt het woord om ons te leiden in heiliging. De Schrift is de standaard voor heiliging. Hoe weten we dat we door het proces van heiliging gaan? Gevoelens? Emoties? Persoonlijke opinie? Sentiment? Standaards buiten de Bijbel? De evaluatie van anderen? De melk (het woord) waar Petrus op doelt, sluit de wet van God in, aangezien het deel van Gods woord is. In feite, kan men zeggen dat het woord van God en de wet van God een en hetzelfde zijn, want al wat uit de mond Gods komt is het wet-woord van God
(Matt. 4:4 dat de wet van Deut. 8:3 citeert). De Schrift is de adem van God (2 Tim 3:16). Alles wat God zegt is wet.
De Geest gebruikt het Woord van God in het heiligingsproces. "En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in Hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft." Bemerk dat het bewaren van zijn geboden en de Heilige Geest elkaar niet uitsluiten. De Heilige Geest in ons helpt ons de wet van God te bewaren en onderwijst ons wanneer wij Zijn geboden bewaren of breken. Een manier om te kunnen zeggen dat de Heilige Geest in je is, is de manier waarop je met Zijn geboden omgaat.
Neem de wet van God weg en heiligmaking verandert in subjectivisme. Het is geen toeval dat Jezus zei dat een ware discipel gekend zal worden door iets uiterlijks: "gij zult hen dan aan hun vruchten kennen" (Matt. 7:20); "Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen" (Ef. 2:10); "zo is het ook met geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood" (Jac. 2:17). We worden gered door genade door het geloof, maar verlossende genade brengt altijd goede werken voort.
Rom. 7:31 Stellen wij dan door het geloof [genade] de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet (we uphold the law).
Paulus verafschuwd met een hartstocht alle verdraaiingen van de wet van God bevestigd door geloof als een gereedschap voor zelfrechtvaardiging. Zulk wetticisme was eenvoudig niet mogelijk en Paulus confronteert het direct in zijn brieven. Dit verklaart de meerderheid van teksten, die negatief blijken en zijn positieve uiteenzettingen over de wet, tegen lijken te spreken.
Zijn christenen nog steeds onder de wet?
Jacobus vertelt ons dat "wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden)." Een zonde, een overtreding van de wet, is genoeg om een persoon tot een eeuwig oordeel te veroordelen. Alleen Jezus bewaarde de wet volkomen. God "maakte Hem die geen zonde gekend heeft voor ons tot zonde, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem." (2 Cor. 5:21). Jezus "heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden" (Gal. 3:13). "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof" (Efeze 2:8). In dit opzicht zijn wij niet meer onder de wet maar onder genade:
Romeinen 6:14:
"...de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder (de) wet, maar onder de genade"
Wet kan hier niet refereren aan de Mozaïsche administratie of dispensatie, want "onder wet" is equivalent aan het zijn onder de heerschappij van de zonde
Commentaar: 'onder wet' (hier zonder artikel) verwijst niet naar de (administratie van) de Mozaïsche wet, maar de onvermijdelijke heerschappij van de zonde.
De "heerschappij van de wet" waarvan geloven ontslagen zijn, wordt onomwonden door Paulus verklaard als de conditie van het zijn in het vlees (de zondige natuur; die ons gevangen houdt, door "zondige hartstochten die vruchten tot de dood brengen" (7:1-6). Het is van deze geestelijke gebondenheid en machteloosheid, dat de wonderbare genade van God door de dood en opstanding van Christus, de gelovige heeft vrijgezet. Het heeft hem niet vrij gemaakt om tegen Gods morele principe's te zondigen. Hoe heeft Paulus zelf dan verstaan wat zonde was?
Rom. 7:7 "Ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet". Daaruit volgt, dat verre van het afwijzen van de autoriteit van de wet, Rom. 6:14 leert dat gelovigen de wet en daarmee de zonde niet moeten overtreden. Het is juist de gezindheid van het zondige vlees dat zich niet aan de wet Gods onderwerpt (8:7). Maar christenen hebben de gezindheid van de Geest, welke hen leidt en in staat stelt zodat "de eis der wet vervuld zou worden in ons" (8:4).
Rom. 7:6 "Maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter." vgl. ook 2 Cor. .:6
Commentaar: vers 4 ('gij zijt dood voor de wet") betekent dat Christus verzoeningsdood ons verlost heeft van de slavernij van het offeren van onze eigen offers, terwijl vs. 6 ons ontheft van de wet in de zin dat we nu kunnen dienen niet in de staat der "letter" (hier gramma: de wet in zijn geschreven vorm; niet graphe: de Schrift) - maar in de nieuwheid van de Geest, wanneer de ware betekenis van de wet en de gehoorzaamheid aan de wet tot expressie komen. De eeuw van de Geest is er niet een van wetteloosheid, dus het is er niet in enige of elke zin aan tegengesteld. De wet zal geschreven worden op de harten van de mensen.
Rom. 8:3-4; "Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees - God heeft ... de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de [rechtvaardige] eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest.
Rom. 10:4 "Christus is het einde der wet" einde = telos: doel en oogmerk
1 Cor 9:20-21 "en ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als onder de wet - hoewel persoonlijk niet onder de wet - om hen, die onder de wet te staan te winnen; hun, die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet - hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus - om hen, die zonder wet zijn, te winnen.
Belijdt Paulus hier te handelen volgens een dubbele morele standaard (law as a rule of life?) De wet kan hier eenvoudig niet op de hele Mozaïsche wet slaan. Anders zou hij een dubbele standaard voor moraliteit hebben. De enige wet die de Joden feitelijk van de heidenen onderscheidde was, wat we nu de ceremoniële wet noemen.
Wanneer hij diende onder de Joden, zou Paulus zich houden aan bepaalde ceremoniële bepalingen die waren opzij gezet (bv. Zuiveringsriten en geloften, zie Handelingen 18:18; 21: 20-26), hoewel het niet antecedent verplicht was voor hem om die regels te volgen- maar terwijl hij onder de heidenen diende, was het niet nodig om dat te doen.
Vaak als Paulus de wet lijkt te minachten, ontkracht hij in plaats daarvan 'legalisme'. Waar hij tegen is, is niet de wet als zodanig, maar de zoektocht naar gerechtigheid die het resultaat is van zijn eigen inspanningen en werken. Paul spot met deze verzonnen doe-het-zelf-benadering van redding en berispt die Joden die "een wet uit rechtvaardigheid hebben gemaakt" (nomon dikaiosunes), die ze zochten "alsof het mogelijk was" om redding te verkrijgen door werken, die alleen maar kunnen leiden tot zelfgerechtigheid. Nadat ze Christus hadden gemist, die het doel van de wet was, misten ze alles.
Het is gepast om te spreken van de wet als "afgeschaft" of ervan "bevrijd te zijn" , alleen in de zin dat nu in Christus de wet zijn juiste einde en doel heeft bereikt, want Hij volbracht diens geboden volmaakt zowel in zijn leven als in zijn dood. Dus de gelovigen zijn klaar met de wet wat betreft haar ceremoniële eisen en sancties. Alleen die wetten waarvan Christus zijn kerk bevrijdt, mogen overboord gegooid worden; alles wat minder is dan dit, leidt tot ethisch latitudinarinisme en vormen van antinomianisme. We moeten de zwaardere wetten erkennen (Mt. 23:23); de grotere en kleinere geboden: merk hun rang, betekenis en voorrang op.
Galatenbrief
Bedenk dat Paulus in de historische context sprak met Jodengenoten, die aandrongen op besnijdenis voor verlossing (2:3-4).
Gal 3:19-25
Gal 3:21 Is de wet dan in strijd met de beloften [Gods]? Volstrekt niet!
Paulus nam de geldigheid van de wet van de morele vereisten van de wet als een theologische waarheid die duidelijk voorondersteld zou worden door ons allen, door te stellen: "Is de wet in tegenspraak met de beloften van God? Absoluut niet! "Vers 23
Vers 24 Deze wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden.
Vers 25 Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester.
De ceremoniële wet wijst naar Christus. De morele wet bevat niet zo'n evangelie, doch slechts de eis die zondaren overtuigt en hen onder het oordeel brengt.
Wij zijn volwassen zonen, die zich verheugen in de realiteit, die voorheen slechts voorafschaduwd werd. Toen wij nog slechts kinderen waren, waren we onder de zwakke en armelijke 'wereldgeesten', (=rudimenten) (Gal 4:3,9).
Efeze 2:15a
"Doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft..." (gesymboliseerd door de tussenmuur van de tempel die scheiding maakte), vgl. Col 2:14.
Ook hier gaat het niet om de gehele Mozaïsche wet, doch om de ordinanties en regulaties, die scheiding maakte en vijandschap kweekte tussen joden en heidenen: de verlossende-herstellende "ceremoniële" geboden!
Commentaar: Paulus beschouwt de wet als afgeschaft wanneer hij de ceremoniële verordeningen in de wet bedoelt. Als de wet in zijn geheel bedoeld was in deze "afschaffing", dan zou Ef. 6: 2 enigszins een verlegenheid zijn: "Eer uw vader en moeder".
Kol. 2:14 Hij heeft het handschrift van de vereisten (de geschreven code, met zijn voorschriften) dat tegen ons was genomen, [wat in strijd met ons was] uit de weg genomen en het aan het kruis genageld. Commentaar: Door de verlossende dood van Christus aan het kruis, zijn zulke verordeningen en die waarnaar ze verwijzen "afgeschaft" (15-16).
1 Tim 1:8 "Wij weten, dat de wet goed is, indien iemand haar wettig toepast"
Dat zou onze axioma moeten zijn voor de christelijke ethiek, aldus de apostel. In tegenstelling tot degenen die vandaag de dag geneigd zijn om de morele voorschriften van het Oude Testament te bekritiseren, mag er geen enkele twijfel bestaan over de morele correctheid en geldigheid van wat ze openbaarden. Het moet ons uitgangspunt zijn dat de morele bepalingen van de wet correct zijn.
Psalm 119:128 "Daarom houd ik al uw bevelen in alles voor recht"
Hebreeën 7:(11-25) 12
"Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van wet". Het betreft hier slechts een speciale, bijzondere verandering, die evenwel noodzakelijk is m.b.t. de ceremoniële wet.
Welke wet zijn we dan gehouden te gehoorzamen?
We hebben vastgesteld dat wanneer Paulus in negatieve zin over de wet spreekt, hij enerzijds spreekt over onder het juk van de slavernij van de zonde bindt, en dat wij op geen enkele wijze door werken der wet gerechtvaardigd kunnen worden en anderzijds dat de inzettingen en verordeningen, de ceremoniële wetten slechts een schaduw waren, en nu in Christus volbracht worden. Tegelijkertijd is de wet goed, rechtvaardig, en heilig; mits zij wettig wordt toegepast en wordt zij juist veeleer bevestigd. Met andere woorden het feit dat de Rom. 6:14 zegt dat de christen niet onder [de] wet is, is nog heel wat anders dan te zeggen dat de christen niet verplicht is de wet te gehoorzamen als een standaard voor gerechtigheid. Christenen worden namelijk niet hulpeloos achter gelaten wanneer zij zondigen: "En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige" (1 Joh. 2:1). Doch zonde is nog steeds "wetteloosheid" (1 Joh. 3:4). Duidelijk is dat er nog steeds een wet van kracht is, anders zou er geen zonde zijn, en als er geen zonde was zou er geen Voorspraak bij de Vader zijn. Voor de zondaars' gids zal er toch een objectieve Bijbelse standaard moeten zijn. Er blijven dus nog andere gebruiken van de wet.
Zodat wij hier nog een stap verder gaan en ons afvragen wat het betekent dat de rechtvaardige eis nu in ons vervuld wordt, nu de Heilige Geest Gods wetten in ons verstand legt, en op ons hart schrijft (Hebr. 8:10) en wij nu leven naar de wet van de Geest des levens, (Rom 8:2-4) of de wet van Christus, (1 Cor 9:21; Gal. 6:2) of de volmaakte wet der vrijheid (Jac. 1:25; 2:12) of de koninklijke wet (Jac. 2:8), of de wet der liefde (Rom. 13:8-10).
Is de "Wet van Christus" een andere dan de "Wet van Mozes"?
Jezus zei: "Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewaren" (Joh. 14:15). Vraag: zijn Jezus' geboden verschillend van Zijn Vader? Nee. Hij kwam om de wil van de Vader te doen en leerde Zijn discipelen hetzelfde (Matt. 6:10; 7:21; Lukas 22:42; Joh. 4:34).
Paulus waarschuwde de kerk in Korinthe af te wijken van elke leer dat het effect had Christus te delen (1 Cor 1:13). Vele goed bedoelende christenen handhaven valse verdelingen wat betreft de wet, die het effect hebben de Drie-enige God te verdelen. Zij willen een radicaal onderscheid maken tussen de "wet van God" en de "wet van Mozes" alsof er twee wet-systemen in de Bijbel opereren. Wanneer deze methode gebruikt wordt, is Jezus van het Nieuwe Testament tegenovergesteld aan Jahweh van het Oude Testament. Jezus is een God van genade, terwijl Jahweh een God van wraak is. Dit zijn valse onderscheidingen.
Op een zelfde manier, wordt de "wet van Christus" onjuist gesteld tegenover zowel de "wet van Mozes" als de "wet van God" alsof er drie aparte wet systemen zijn, elk in tegenstrijd met de ander.
De Psalmist bericht ons dat "de wet des Heren is volmaakt, zij verkwikt de ziel" Ps. 19:8a). De wet van Christus wordt ook omschreven als "volmaakt" (Jac. 1:25). Welke wet is dan volmaakt: Zowel de "wet van God" en de "wet van Christus," omdat zij een en dezelfde zijn! "De wet van Mozes is geen andere dan de Wet van Christus." Bedenk dat Mozes de agent van de wet is, en niet de auteur. Mocht iemand opmerken dat de essentie van de wet is "elkaar te dienen door te liefde," (Gal. 5:13) of zegt dat de gehele wet in een woord vervuld wordt: "gij zult u naaste lief hebben als uzelf" (5:14), laat hem dan bedenken uit welke bron Jezus dit gebod "gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" citeerde: "Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de HERE" (Leviticus 19:18). Paulus citeert Jezus. Jezus citeert de Mozaïsche wet! De wet, zelfs de Mozaïsche wet, vertelt ons hoe we "door liefde" we elkaar behoren te dienen.
Liefde zonder wet is een tegenstrijdigheid; hoewel liefde en wet niet identiek zijn, kan de een niet zonder de ander bestaan. Als een man zegt een vrouw lief te hebben, en dan, in naam van een meer persoonlijke en existentiële relatie, vraagt om samen te leven buiten het huwelijk, heeft de vrouw recht zijn liefde in twijfel te trekken. Liefde kan niet van wet gescheiden worden zonder de liefde te ontkennen, evenmin kan wet van liefde gescheiden worden zonder de wet te ontkennen.
Heiligmaking en de wet
De roep tot heiliging, "Heilig zult gij zijn, want Ik, de HERE, uw God, ben heilig" is een oproep om de wet te gehoorzamen: het is de regel voor heiliging. Het is een voorvoegsel in de wet voor elke wet. Hier gaat het vooraf aan de ban op laster en valse getuigenis voor het gerecht (Lev 19:16). De wet is de weg tot heiligheid, de weg tot heiligmaking. Een deel van de Pentateuch wordt zelfs "De Heiligings Code" genoemd (Lev. 17-26) vanwege zijn speciale nadruk op de wet als een middel tot heiliging. Van begin tot eind maakt de Schrift duidelijk dat redding, rechtvaardiging is uit genade van God door het geloof, en dat heiligmaking is door wet, Gods wet. p. 549 Rushdoony 549-556
Het doel van heiliging is dat de rechtvaardige eis van de wet in ons vervuld wordt (Rom 8:4). p. 737
Als leven door de Geest erop wijst dat redding heiliging moet voortbrengen, dan betekent dat dat redding een leven voortbrengt van blijde gehoorzaamheid aan Gods wet. Iemands redding bevrijd hem van de slavernij van de zonde zodat hij wettig kan wandelen (Jac. 1:25; Gal. 5:13-14), wat wil zeggen liefdevol (vgl. 1 Joh. 5:1-3), want het leidende bewijs van het werk van de Geest in iemands leven is liefde (Gal. 5:22). Degenen die gered zijn door geloof moeten ijverig te zijn in het uitoefenen van goede werken der liefde (Titus 3:5-8; Jac. 2:26; Gal. 5:6), en de standaard voor goed en liefdevol gedrag wordt gevonden in Gods geopenbaarde wet (Ps. 119:68; Rom. 7:12, 16; 1 Tim. 1:8; Joh 14:15; 2 Joh. 6). De Heilige Geest werkt in de gelovige om overeenstemming te bewerken aan de geïnspireerde wet van God als het patroon van heiligheid (Rom 8:4). Wanneer God Zijn Geest aan iemand schenkt maakt het dat die persoon wandelt in de inzettingen van de Heer en Zijn verordeningen onderhoudt (Ezk. 11:19-20).
De wet gold ook voor de heidenen
Norman Geisler, een dispensationalist, schrijft: "Nergens in de Bijbel worden heidenen ooit veroordeeld voor het niet bewaren van de wet van Mozes. God met hen altijd met de waarheden van de algemene openbaring [natuur] (zie Jonah 1; Nah. 2). Dr. Geisler heeft het mis. De inwoners van Sodom en Gomorra werden vernietigd voor het breken van een specifieke wet, die uiteindelijk in de Mozaïsche wetgeving werd gecodificeerd - sodomie (Gen. 13:13; 19:4-5); vgl. Lev. 18:22; 20:13). Van de vreemdeling, een individu buiten de verbondsgemeenschap van Israël , werd vereist de Mozaïsche wetgeving te gehoorzamen: "Enerlei recht zult gij hebben; de vreemdeling zij gelijk de geboren Israëliet, want Ik ben de HERE, uw God" (Lev. 24:22; vgl. Num. 15:16; Deut 1:16-17). Belshazzar, een heiden, brak specifieke wetten van de Mozaïsche wetgeving m.b.t. afgoderij (Daniël 5).
Leviticus 18:24-27
"...het land toch werd verontreinigd en Ik vergold daaraan zijn ongerechtigheid, zodat het land zijn inwoners uitspuwde...
Deuteronomium 4:6-8 Onderhoud [de inzettingen en verordeningen] naarstig, want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie...
Hij spreekt niet alleen over de Mozaïsche geboden, maar eerder over de 'wet van geboden' - het beleid, de orde of het beginsel dat deze geboden tezamen bindt. Hij zegt dat de specifieke bepalingen die hier selectief in gedachten zijn, die geboden zijn die vervat zijn in verordeningen "- de term die in Col 2:14 wordt gebruikt voor voorschriften die" een schaduw van de dingen die gaan komen "zijn Doch voordat dit geloof kwam, werden wij onder de wet in verzekerde bewaring gehouden met het oog op het geloof, dat geopenbaard zou worden.