Het calvinisme versus het humanisme
Calvijn's verdeelde justitiële erfenis
De invloed van het calvinisme neemt af, zowel numeriek als in termen van culturele invloed. Dit doet het feitelijk al sinds 1660, toen Charles II terugkeerde op de Engelse troon, toen Cromwell's regering eindigde. Hoe is dat zo gekomen? Het calvinisme was eens een sociaal dominante kracht in Noord-Europa, niet omdat er zoveel Calvinisten waren, maar omdat zij buiten hun proporties qua aantal invloedrijk waren in charitatieve werken, geleerdheid, wetenschap, en business.
Toch is het calvinisme vandaag onbekend voor de meeste mensen. Waarom? Er zijn vele redenen, maar de meest belangrijke wat de Calvinisten konden en hadden moeten voorkomen was dit: de intellectuele en geestelijke leiders binnen het calvinisme hebben, voor meer dan drie eeuwen, vrijwillig de cultureel relevante aspecten van het calvinisme prijsgegeven door de dominante humanistische wereldvisie te accepteren. Uiteindelijk, hebben Calvinisten zelfs het idee van christendom opgegeven: een van Johannes Calvijn's fundamentele vooronderstellingen: de kostbare erfenis van Augustinus, de post-Niceense Kerkvaders, en de vroege monastieke orders.
Ondertussen, hebben de humanisten hen verblind: van 1660 tot 1789 namen de humanisten de fundamentele doctrines van het calvinisme over. doch seculariseerden ze. Zij ontdeden deze ideeën van alle bijbelse theologische inhoud en produceerden een nieuwe mens-gerichte wereldvisie, welke dominant werd in het Westen.
Ten eerste, namen ze de doctrine van de soevereiniteit van God en maakten het de soevereiniteit van de natuur en het fijnste product van de natuur: de autonome mens. De tweeling idolen natuur en geschiedenis werden opnieuw de afgoden van de mens, zoals zij dat altijd geweest zijn in de heidense geschiedenis.
Ten tweede, de calvinistische doctrine van het priesterschap van alle gelovigen werd het fundament van de moderne democratische theorie, te beginnen met de Levellers in de Cromwell periode. Het Calvinistische concept van het recht van de leken om te stemmen in kerkelijke verkiezingen werd het model voor de politiek.
Ten derde, de calvinistische opvatting over God's wet en mens' God-gegeven mogelijkheid om het te herkennen en toe te passen in deze wereld werd het fundament van de moderne wetenschap en technologie.
Ten vierde, de calvinistische doctrine van God's sancties in de geschiedenis - zegeningen en vervloekingen- werd, in de geschriften van de anti-Calvinistische Schotse gezond verstand rationalisme, het concept van de onpersoonlijke markt mechanismes van vraag en aanbod.
Ten vijfde, het puriteinse unieke concept van de triomf van het Koninkrijk van God in de geschiedenis werd het fundament van de Verlichting's idee van mensheid's onvermijdelijke vooruitgang.
Zelfs nog merkwaardiger is dat eenmaal geseculariseerd, deze doctrines vervolgens opnieuw ingevoerd werden door Calvinistische intellectuele leiders, door hen werden omgedoopt, maar zonder het opnieuw vestigen van hun originele bijbelse en verbondsmatige fundamenten. Deze vreemde categorieën - gebaseerd op de doctrine van de autonome natuur en de autonome mens - werden dan door de Calvinistische leiders vermeld als in volledige overeenstemming met de fundamenten van het calvinisme.
Dus, de aanvankelijke kracht van de westerse humanistische wereldvisie na 1660 was gebaseerd op gestolen goed! Het calvinisme herimporteerde deze goederen en verloor daarmee haar controle over haar eigen intellectuele bestemming. De Calvinistische intellectuelen dronken gestadig van de tijdelijk overvloeiende bron (theorie van de natuurlijke wet) ten einde zichzelf te verfrissen. Maar die bron werd gestadig vervuild toen de verbondbrekende vooronderstellingen van de autonome mens de fundamenten van de humanistische samenleving begonnen te eroderen. De unitaristische humanisten raakten gestadig op hun eind om de gestolen Calvinistische rijkdom in hun morele en epistemologische bankrekeningen te deponeren. Anders gezegd, de Calvinisten voelden zich betrapt aan boord van een vreemd schip. Zij hadden de categorieën van het humanisme als universeel, natuurlijk, en religieus neutrale categorieën geadopteerd. Dit humanistische schip begon te zinken. Maar zij konden het zinkende humanistische schip niet verlaten zonder alles behalve te bijbel achter te laten. Nog anders gezegd, zij leefden nu als leden van een getto, ondersteund door het "openbare nut" van de humanistische beschaving. Zij hadden hun definitie van calvinisme versmald tot een handvol exclusieve theologische principes, waarin de humanisten en de Arminianen geïnteresseerd waren om die te stelen, nl. T.U.L.I.P., [in Ned. TOBOV]. Er was nauwelijks iemand geïnteresseerd in TULIP. Dus, het enige dat zij van henzelf hadden overgehouden was iets dat niemand wilde. En zo zonk het calvinisme in invloed, decennium na decennium, tot het punt van culturele onzichtbaarheid. Haar erfenis is bijna verloren.
Calvijn's verdeelde justitiële erfenis
Calvijn erfde een grote hoeveelheid filosofische bagage uit het verleden. Hij schrapte er slechts een deel van. Waar hij steunde op de Bijbel of Augustinus, was hij gewoonlijk veilig voor misinterpretatie. Maar op verschillende cruciale leerstellige gebieden was hij verward, dat wil zeggen tweeslachtig. Hij verkondigde tegengestelde posities op verschillende gelegenheden. Hij biedt een "ja" tijdens één gelegenheid en een "nee" tijdens een andere. Deze litanie van sic et non zette zich in het calvinisme gedurende eeuwen voort. Dit dualisme heeft geleid tot het ontstaan van rivaliserende vleugels in het calvinisme.
Calvinisme's verwarring loopt parallel met de verwarring van de christelijke Kerk vanaf de vijfde eeuw. Deze verwarring is nauw verbonden met het Bijbelse verbond model; het is, in feite, een historische manifestatie van de vijf punten van dat verbond. Gary North, p.49
Christendom
Er is weinig debat onder christenen over de legitimiteit van een belijdenis op het gebied van het persoonlijke, kerkelijke, en gezins' verbond. Doch wanneer het over de staat gaat, wordt deze gezien als religieus neutraal, en van de Bijbel wordt gezegd dat het geen model voor de Staat biedt.
Wat voor soort belijdenissen zijn dan echter geschikt voor een christelijke sociale orde? Wat voor soort samenleving zouden de vier verbonden moeten voortbrengen terwijl de geschiedenis nader tot het laatste oordeel komt. Calvinisten voor 1660 debatteerden over deze kwestie. Zij spraken over deze zaken in de naam van God. Vandaag niet meer. Erger, ze beschouwen het niet langer als mogelijk of religieus noodzakelijk een Trinitarische eed in civiele zaken te vereisen.
Door zelf-bewust het idee van een positief christelijke belijdenis op het gebied van de burgerlijke overheid te verlaten, hebben christenen actief deel genomen aan de ont-kerkelijking van de samenleving. Hoewel de Staat de samenleving niet schept, is het een wettelijke verbonds institutie. Het is een onontkoombare, door God ingestelde institutie. Zonder de aanwezigheid van een christelijke belijdenis voor de Staat, dienend als de noodzakelijke derde institutionele pijler van een duidelijke christelijke samenleving, kan er geen duidelijke Christelijke samenleving zijn. Degenen die de legitimiteit van een christelijke samenleving ontkennen, begrijpen dit; zij verwerpen ook zelf-bewust het idee van christendom. Noodzakelijkerwijs aanvaarden zij ook het idee van een andere wets-orde, een andere confessie voor de Staat, en derhalve voor de samenleving, doch zij weigeren dit in detail te bediscussiëren.
In de dagen van de Dordtse Synode en de Westminster Assembly was zo'n confessie van een andere wetsorde een belijdenis van een andere God; zo'n confessie zou ondenkbaar zijn. Vandaag schijnt een belijdend christendom ondenkbaar te zijn, behalve voor theonomisten en bonders.